maandag 16 juni 2014

Geitenwollensokken-manie

Die ochtend had ik haast. Ik had me verslapen. Vandaar dat ik snel wat boterhammen smeerde om ze daar ter plekke op te eten. Ik stond met een kraampje bij de eerste landelijke Islamquiz van Nederland, georganiseerd door de ISBO. Toen ik alles had uitgepakt, pakte ik ook mijn boterhammen uit. Een zuster ‘betrapte’ mij daarbij: “Een witte boterham, schaam je.” Ik mompelde nog even iets als “haast”, maar achteraf baalde ik er van dat ik geen weerwoord gaf. Het gaat immers niemand iets aan wat ik consumeer, thuis of buitenshuis. Toch raakte ze een gevoelige snaar, waarschijnlijk omdat ik allerlei pogingen onderneem om bewuster om te gaan met alles wat wij als gezin consumeren. Ik probeer te consuminderen.


Zero Plastic Week
De afgelopen week bijvoorbeeld heb ik geen nieuwe plastic tassen aangenomen bij de winkels in het kader van de Zero Plastic Week. Want hoewel wij ons plastic afval netjes scheiden, is het toch van den gekke dat wij wekelijks een vuilniszak vol plastic in die bak dumpen. Wie denkt er over na, dat er tussen Hawaï en San Francisco 44 miljoen kilo plastic afval rond drijft met een omvang van 34 keer Nederland? Behalve dat deze ‘plastic soep’ een gevaar vormt voor alle zeedieren, krijgen wij als consument dit natuurlijk ook weer op ons bordje. Toch is er wereldwijd maar één land dat de plastic tas in de ban heeft gedaan, en dat is Rwanda, in Afrika. Vandaar dat ik ervoor wil zorgen, dat ik zo vaak mogelijk een stoffen tas bij de hand heb, zodat ik geen plastic tassen meer hoef aan te nemen in de verschillende winkels.


Minder vlees
We eten de laatste maanden ook minder vlees. Dat wil zeggen, dat er ofwel vaker vegetarische maaltijden op het menu staan, ofwel dat de portie vlees gehalveerd is. Wat ik nog wel zou willen bereiken is dat we, behalve dat onze kip halal is, het ook nog tayyib - gezond -  is. Want wat kan er nu gezond zijn aan een kip die zijn leven lang geen daglicht heeft gezien en groeihormonen krijgt toegediend om binnen zes weken een volwassen kip te worden, waar een kuiken normaal gesproken zes maanden over doet. Die kip heeft veel stress ervaren in zijn leven en, die stress- en groeihormonen zullen uiteindelijk ook in mijn maag belanden. Tot nu toe heb ik mijn echtgenoot echter nog niet kunnen overtuigen, om over te gaan op de biologische kip “want het leven is al zo duur.” Maar ik heb goede hoop, want het duurde ook jaren voordat hij zijn familieleden er op ging wijzen, dat al die suiker slecht is voor de gezondheid. En hij koopt nu ook de duurdere rietsuiker in plaats van de gewone witte kristalsuiker. Petje af voor mijn eerste-generatie-man, die hier 25 jaar geleden kwam met het idee geld te sparen om vervolgens in zijn eigen land iets op te bouwen.


Ook heb ik thuis alle schadelijke schoonmaakproducten verruild voor een milieuvriendelijker alternatief. Ze zijn vaak wel wat duurder, maar behalve dat ze het milieu niet schaden, ruiken ze ook nog eens lekker. Ik heb alleen nog een grote fles met chloor staan die ik dus nu niet meer gebruik, maar die er nog wel staat. Ik weet niet of het een groot verschil zal maken als ik het op maak, of dat ik het product in de chemokar werp. Ik heb ook pogingen gedaan om mijn eigen wasmiddel te maken, maar dat was niet direct een succes. Ik mis in mijn omgeving mensen zoals ik, zodat we samen kunnen experimenteren in het ‘groener worden’. 

Mensenrechten
Ik ben er nog niet uit, waar ik de grens moet leggen. Ligt de grens bij ‘wat goed is voor het milieu’, of ‘wat goed is voor de dieren’ of ‘wat goed is voor de mens’. In principe komt het allemaal op hetzelfde neer, want wat goed is voor het milieu en voor de dieren, is dat uiteindelijk ook voor de mens. ‘Wat goed voor de mens is’ reikt echter nog veel verder dan alleen maar gezondheid en welzijn. Dan gaat het ook over mensenrechten en onze verantwoordelijkheid daarin.


Zo was ik jarenlang erg actief met het boycotten van allerlei goederen en producten waarvan de producenten uit bezet Palestijns gebied kwamen, of een deel van de winst aan Israël schonken. Ik probeerde ook andere zusters te overtuigen om bepaalde merken te boycotten, maar ik vond nauwelijks gehoor. Alleen het verhaal van de medjoul-dadels uit Israël raakte ze. Maar nu beweerde onze slager laatst, dat ook de andere medjoul-dadels uit Israël komen, maar dan via een omweg. Ook maak ik mee dat merken constant van de een in de andere handen overgaan. Zo was Douwe Egberts een tijdlang onderdeel van Sara Lee, ging vervolgens zelfstandig om binnen de kortste keren weer doorverkocht te worden aan een Duits bedrijf. De boycotsites zijn ook niet meer up-to-date, dus hoe moet ik het dan nog bijhouden? Nu probeer ik zo veel mogelijk de producten van de grote multinationals te vermijden, aangezien zij, behalve in Palestina, ook in vele andere landen de mensenrechten met voeten treden. Maar als het niet anders kan, maak ik mezelf of mijn gezinsleden geen verwijten meer.
Ik ben er nog niet uit, waar voor mij de grens ligt. Als het aan mij lag, ging het er hier in huis anders aan toe. Dan droeg het hele gezin alleen maar katoenen en linnen kleding, deden we onze boodschappen altijd met stoffen tassen, hadden we een kleinere of geen televisie, en aten we slechts één keer in de week vlees, hadden we onze eigen kippetjes en dus eitjes, en kweekten we onze eigen groenten. Maar het ligt niet alleen aan mij. En dat is maar goed ook, want ik als ik eenmaal op dreef ben, is er misschien geen houden meer aan met mijn geitenwollensokken-manie.

Levensgenieter
Aan de andere kant ben ik te veel een levensgenieter om mij te veel leuke of lekkere dingen van het leven te ontzeggen. Toen ik net moslim was, ging ik om met een paar zusters die uit het biologisch-dynamisch milieu kwamen. Twee van hen serveerden altijd hibiscus-of rooibosthee. Hoe hard ik het ook probeerde, ik heb nooit kunnen wennen aan die zure smaak. Wat kon mij het schelen dat het zo gezond was? Ze konden op zijn minst ook nog een andere smaak serveren? Ook had ik soms best nog trek en keerde ik met een knagend hongergevoel huiswaarts na een dagje samen kennis opdoen. Maar ik heb er volgens mij nooit iets van gezegd, omdat ik niet verwend en hebberig over wilde komen, en omdat ik netjes ben opgevoed. De zusters en ik zijn uiteindelijk ook uit elkaar gegroeid, omdat ik denk ik te werelds voor ze was. Ze werden namelijk steeds strenger en gingen bijvoorbeeld steeds grotere sluiers en sommigen gingen de gezichtssluier dragen, terwijl ik op straat en op mijn werk bleef rondlopen in westerse kleding. Of er een relatie is tussen het een en het ander, weet ik niet. Maar ik kreeg het een beetje benauwd van de vanzelfsprekendheid waarmee zij alles uitdroegen.


Bemoeizucht
Dezelfde beleefdheid belemmerde mij waarschijnlijk om de zuster die zich bemoeide met mijn broodtrommel direct te wijzen op haar onbeleefdheid, ook al was het plagerig bedoeld. Want het is niet vanzelfsprekend dat ik als moslim bruinbrood eet. Mijn man is degene die de boodschappen doet. Hij en de kinderen eten graag witbrood. Dus eten we witbrood. Vaak haal ik voor mezelf spelt-brood, of eet ik havermoutpap, en soms geniet ik van een witte boterham met een dikke laag boter en hagelslag. Verder ben ik dol op gebraden kip, koffie verkeerd, en chocola. “Toch wel fair trade hè?” vraagt mijn bemoeizuchtige geweten. “Meestal wel,” antwoord ik, “het lukt me alleen nog niet met die heerlijke dikke witte chocoladerepen met gepofte rijst.”

zie ook www.qantara.nl

maandag 9 juni 2014

Did you ever look the other way?



Did you ever look the other way?

I did once, in Paris, and I still regret it
Although it was a clochard
Although he was on the other side of the subwaystation
Although I had to catch the latest metro
Although I was young and all alone
Although he probably was way too heavy for me to lift him up

He rolled on the escalator
and fell down
then rolled on the escalator
and fell down

There were several people around him
I cried out that they should help him
But they didn't even react
They were just watching

Him going up the escalator
and falling down again
while I drove off

dinsdag 3 juni 2014

Laat mij jou redden, moslimvrouw



Laat mij jou vertellen wat jij bent:

Je bent onderdrukt
afhankelijk
Je bent zwak
en heel erg zielig
terwijl ik vrij ben
onafhankelijk
sterk
en heel erg stoer

Laat mij jou redden

van je kleinburgerlijkheid
je bekrompenheid
je achterlijkheid
en gebrekkigheid
met mijn grootsheid
mijn vooruitstrevendheid
mijn beschaafdheid
en mijn volkomenheid

Laat mij jou vertellen wat jij niet snapt

Die man van jou die is doortrapt
het enige wat hij van jou wil
is dat je baart 
en dat je kookt
en verder ben je stil
en als hij heet van buiten komt
dan snap je wat hij wil
Je kleedt je uit
en daarna ligt je een tijdje stil

Laat mij vertellen dat ik medelijden heb, jij moslimvrouw
Maar als je doet wat ik je zeg, komt alles vast goed met jou

Mijn voornaam is arrogantie
en mijn achternaam onwetendheid

vrijdag 30 mei 2014

De liefde van de man

Vandaag ontving ik zowel van mijn man als wel van mijn jongste zoon complimenten voor mijn kookkunsten. Ik zou mijzelf hebben overtroffen.

Het is voor mij het zoveelste bewijs dat de liefde van de man door de maag gaat.

Ik heb een lieve vriendin die als ze moe thuis komt van haar werk ontspant in de keuken. Elke keer als ik bij haar op bezoek kom, staat de tafel vol met heerlijke hapjes. En het ene hapje is nog lekkerder dan het andere. Zij vraagt zich af, waarom de vrienden van haar kinderen zo graag blijven slapen. Zij vraagt zich af, waarom haar man haar capriolen en nukken met alle geduld van de wereld gadeslaat. En ik glimlach in mezelf.

Het is voor mij het zoveelste bewijs dat de liefde van de man door de maag gaat.


donderdag 15 mei 2014

De eerste keer....met hoofddoek

De eerste keer dat ik met een hoofddoek op naar buiten ging, kan ik me nog goed heugen. En dan bedoel ik een hoofddoek die zowel haar als hals bedekten. Het was in november 1990.Voor die tijd had ik wel al mijn haar bedekt, maar knoopte ik het doekje in mijn nek, waardoor ik nog in allerlei straatjes paste: sommigen dachten dat ik alternatief was - dat waren de kunstenaars die ik als redactrice bezocht - anderen dachten dat ik tot de Amish van Amerika behoorde. Toen ik in Hilversum kwam te werken en de nieuwslezer Joop van Zijl in de lift tegen het lijf liep, vroeg hij of ik een Novish was. Thuis heb ik meteen het woordenboek erbij gepakt en opgezocht wat dat betekent: een non in opleiding. Nee, dat was ik niet. Alhoewel ik me waarschijnlijk wel net zo vroom voelde als de nonnen.




Speld los
In elk geval had ik de moed verzameld. Ik had thuis genoeg geoefend om mijn hoofddoek netjes om mijn hoofd te binden. We zouden naar de stad gaan. Auto in, auto uit. Het moment dat ik de auto uitstap, springt de speld onder mijn kin los, waarmee ik mijn hoofddoek heb vastgespeld. Foute boel. Ik duik meteen de auto weer in.

Het was in Den Helder dat ik mijn eerste stappen deed met hoofddoek. Gelukkig had ik net een cursus weerbaarheid gevolgd via het vrouwencentrum aldaar. Ik bleek al aardig weerbaar, want toen we in het zaaltje moesten voordoen hoe we voorbij een groep baldadige jongemannen zouden lopen, liep ik ze gewoon straal voorbij, terwijl andere vrouwen ze ofwel strak aan bleven kijken, of juist de blik naar de grond richtten, wat natuurlijk averechts werkte. Als ik in de stad liep met mijn hoofddoek, paste ik mijn eigen methode toe. Ik had een doel - iets kopen in de winkel - en daar liep ik recht op af. Mijn man had er meer moeite mee, dat ik een hoofddoek droeg, want hij werd er op aangekeken. Ik zag niks - in het begin ook bekenden niet - maar hij zag al die blikken van hem naar mij en weer naar hem en dat vond hij knap lastig.

Wat ik wel vervelend vond, was het bezoek aan de markt in Den Helder in die tijd. Nu is dat sowieso een plek waartegen je de bescherming van God moet zoeken, maar toen ondervond ik aan den lijve, dat sommige mensen op me neerkeken, alleen maar omdat ik een hoofddoek droeg. Dat deden ze door bijvoorbeeld voor te kruipen en soms zelfs letterlijk voor mij te gaan staan. Toen ik op een gegeven moment zwanger was, duwde ik mijn buik extra naar voren, zodat ze me niet meer negeren konden. Dat werkte.

Stoutmoedig
We verhuisden naar Hilversum, waar ik al veel minder bekijks had, simpelweg omdat daar meer moslims woonden. Maar ook daar maakte ik zo nu en dan mee, dat mensen mij verachtten. Het grappige was, dat de mensen als je ze in het Nederlands aansprak met: "Is er iets aan de hand?", ze compleet verstijfden. Behalve dat ze schrokken dat ik Nederlands sprak, zagen ze mogelijk ook een stoutmoedige blik in mijn ogen.

In Amersfoort, waar ik nu woon, voel ik niet meer de behoefte om stoutmoedig te zijn. En het gekke is, dat ik in de tien jaar dat we hier ongeveer wonen geen last meer heb van boze, verontwaardigde, neerbuigende blikken. Ik vermoed dat de mensen hier niet zo veel anders zijn, dan de mensen in Den Helder of Hilversum, dus zal het vooral aan mijn eigen houding liggen. Waarschijnlijk is het zo, dat als je jezelf helemaal hebt geaccepteerd met hoofddoek, dat anderen je vanzelf meer respecteren. Ik hoef me zelf niet meer te bewijzen tegenover de buitenwereld. De hoofddoek: ik ben er mee vergroeid geraakt.

zaterdag 10 mei 2014

"83 jaar en dement, daar had toch niemand meer iets aan"

Vooroordelen over psychogeriatrie

"Ach, 83 jaar en dement, daar had toch niemand meer iets aan"

Welk verwerkingsproces maken de meeste mensen door als een naaste dementeert, in een verpleeghuis geplaatst moet worden, en daar sterft.

Minstens tien mensen zitten in stoelen weg gezakt over de kamer verdeeld. De helderblauwogende meneer naast mij aan tafel pakt mijn hand vast en vraagt: "Zull'n we maar es gaan met ons beidjes?" Ik knik hem even geruststellend en vriendelijk toe: "Zo meteen hoor. We zitten hier wel goed, toch?" Hij knikt en zakt terug in zijn stoel. Zijn dochter heeft dezelfde neus als hij.  "Een jodenneus," noemt ze het. "Ja, aan onze neuzen kun je wel zien dat we familie zijn, hè?" vraagt ze haar vader, die dit glimlachend beaamt.
Hij weet natuurlijk al lang niet meer dat het zijn dochter is die hem een zoen geeft bij het komen en gaan. Hij is pas enkele weken in het verpleeghuis 'De Bleerinck' in Emmen. Hiervoor zat hij in een ander tehuis dichtbij zijn oude woonplaats. "Ik kwam elke dag wel langs," zegt zijn dochter "maar omdat Emmen verder weg is, kan ik het contact niet meer vasthouden." Ze merkt heel duidelijk, dat haar vader 'achteruit' gaat. "Hij herkent me helemaal niet meer. Als ik hem gedag zeg en hij weet mijn naam niet, ben ik teleurgesteld. Ik weet wel, dat ik niets mag verwachten, maar op de een of andere manier blijf ik hopen."



(gedicht van Jan Conen, vanuit de gedachtewereld van een dementerende oudere)

ik loop nu al
ik weet niet hoe lang
in deze gang
en nu ineens word ik verschrikkelijk bang
iedereen groet me
terwijl ik er niemand van ken
en soms ben ik vergeten
wie ik zelf eigenlijk ben
ik ben vast wel aardig 
want iedereen doet leuk tegen mij
was ik nou net verdrietig
of voelde ik mij blij
ineens haakt iemand in
en ik loop arm in arm met een vrouw
ze kijkt me glimlachend aan
en zegt hoe is het nou
met de beste wil van de wereld
die vrouw en ik niet
en ik druk haar weg
voordat m'n moeder het ziet
de vrouw kijkt verdrietig
er rolt een traan over haar wang
en ik
ik weet niet waar ik ben
en ik ben bang

"Er ontstaan nieuwe banden"
De familie van een geestelijk hulpbehoevende oudere wacht meestal lang met de opname in een verpleeghuis. Zo'n opname is vaak een uiterste en pijnlijke oplossing, als er geen enkele andere meer mogelijk is. Pastor J. Langelaan, werkzaam in het verpleeghuis De Bleerinck en het Scheperziekenhuis in Emmen schrijft hierover in een brief: "Er is dikwijls moed en stimulering nodig van een derde, bijvoorbeeld van een maatschappelijk werker, om een opname door te zetten. Het risico is niet denkbeeldig, dat familieleden, vrienden en kennissen de noodgedwongen keuze voor een verpleeghuis afkeuren. Maar ook zonder die afkeuring zullen zij vaak last hebben of krijgen van schuldgevoelens, Tegen zulke gevoelens is vaak maar één afdoend middel mogelijk: zo vaak mogelijk op bezoek gaan, hoe moeilijk dat ook mag vallen. Soms zullen al voordelen blijken, maar met niet op gerekend had. Er ontstaan nieuwe banden."



Een dag op de afdeling 'De Spinde', een afdeling voor psychogeriatrische ouderen, die het niet meer zonder verpleging kunnen stellen. Na de bonensoep wordt 's middags het toetje opgediend. Yoghurt met fruit er in: dat lusten de heren en dames aan tafel wel. Wat met de bonen ontbrak, namelijk een hapgrage mond, is nu wel aanwezig. "Nog een hapje, mevrouw?" Dit keer wordt weinig verspild, behalve door de hardnekkigste mondknijpers.
Na het eten trekken de mannen en vrouwen zich terug in hun eigen zetel. Plotseling is het, afgezien van het getik van de Zaanse klok en zo nu en dan wat gemompel vanuit een hoekje, stil in de kamer.
"Zo gaat het nu elke dag," zegt Jeanet, een 20-jarige verzorgster. "Straks tegen drieën zijn ze weer actiever tot aan het avondeten." Samen met een andere vrouw moet ze nog werken tot half vier, maar ze is al vanaf half acht druk in de weer geweest. Die ochtend tegen tienen vertelt ze nog onder het koffiedrinken: "Ik kan nu net even rustig zitten en m'n koffie drinken, maar hiervoor heb ik de bejaarden uit bed gehaald, verschoond, aangekleed en naar de kamer gebracht."

"Lillek wief dâ je bent"
Voordat ze op de afdeling De Spinde kwam, werkte ze 'hierachter'. Het gaat om een afdeling waar de bejaarden behoorlijk zelfstandig zijn. "Die wonen hier echt, hè, ze doen actief mee aan het huishouden, zijn fanatiek tijdens de activiteiten, waar ze onder meer spelletjes doen. het is een leuke afdeling, omdat je met die mensen nog een goed contact kunt opbouwen. Hier hecht je je niet zo zeer aan de ouderen."
Ze heeft ook nog op een andere verplegende afdeling gewerkt. "Daar waren de mensen iets 'beter' dan hier en daar was ook 'n schat van 'n vrouw. Daar ben ik nog steeds dol op. Als zij dood zou gaan, zou ik dat wel erg vinden. Ze is al 96 en je kunt zo heerlijk met 'r lachen. Ze begon eens heel grof te schelden. 'Lillek wief dâ je bent,' zei ze toen. "En toen ze een rondje had gelopen, kwam ze voor me staan en stak me de hand toe: 'Dag mevrouw, hoe gaat 't met u?"

(uit het boek 'ik ben verdwaald', 'dementie wat is dat' van A. Hoogerwerf)
'Toen ze overleed, hoorde ik vaak: Ach 83 en dement, daar had toch niemand meer iets aan. Alsof het je eigen moeder niet was. Daar kon ik toch duivels om worden. Ik heb nog wel iets aan haar gehad. Ik heb voor haar kunnen zorgen en lief kunnen zijn. Wat gebeurd is, had ik niet verwacht, maar in de gegeven situatie zijn het mooie jaren geweest.'

Het bekend zijn met dementie in de samenleving is ondanks de hause aan voorlichting en lectuur nauwelijks aanwezig. Er bestaat veel onbegrip: talloze vooroordelen lijken onuitroeibaar. Het lijkt in de verste verte niet op een brede maatschappelijke discussie, ofschoon het aantal mensen met dementie volgens prognoses sterk zal toenemen. Ongeveer tien procent van de mensen boven 65 jaar lijdt aan de ziekte van Alzheimer. Het is de meest voorkomende vorm van dementie, een hersenziekte waarvan de oorzaak nog niet bekend is. Dat betekent dat ongeveer een van elke drie gezinnen in Nederland met dementie te maken krijgt, als een van de ouders of schoonouders aan de ziekte van Alzheimer zal gaan lijden.


'Laten merken en voelen dat je er bent'
Om vier uur is Herman, de groepsleider die de familie begeleidt, de enig overgebleven hulpverlener in de kamer. Tijdens ons gesprek raakt een meneer steeds mijn arm. "We kunn'n zo wel weer vertrekk'n, we goan moar noar huus." Een andere manier snuffelt buiten de kamer op de afdeling rond. Volgens de verzorger "loopt hij zichzelf nog eens voorbij op een dag". Soms wil hij de gang op, maar na hem door middel van een duwtje in de rug weer met de neus in de richting van De Spinde te zetten, loopt hij weer zijn rondje. "Hij is op zoek," legt Herman uit. "Hij deed dat waarschijnlijk altijd al. Thuis was hij ook op zoek."
Over de reactie van familieleden na de dood van een psychogeriatrische patiënt vertelt hij: 'Je hoort heel vaak op een begrafenis of crematie, dat de familie opgelucht is, omdat het leven van vader of moeder anders toch maar 'nodeloos gerekt' wordt. Aan het verplegend personeel is wel eens gevraagd of men de bejaarde geen spuitje kan geven. Ze vragen dat vanuit een gevoel van onmacht. Ze weten niet hoe ze met de echtgeno(o)t(e), vader of moeder om moeten gaan."

Pastor Langelaan schrijft: "De familieleden laten soms blijken dat ze veel moeite hebben om op bezoek te komen, omdat ze niet weten hoe ze een gesprek moeten voeren. Het is voor hen vaak een bevrijding na verloop van enkele maanden te ontdekken, dat zo'n gesprek niet nodig is. Dat het al voldoende kan zijn stil naast iemand te zitten, deze wat aan te kijken en een hand, een schouder of het voorhoofd een beetje te strelen. Lijfelijk -  en huidcontact wordt geleidelijk het sprekende contact tussen bewoner en anderen. Laten merken en voelen dat je er bent, is waar het op aankomt."

Een beetje sterven
Ook degene die alle adviezen opvolgt en die van goede wil is, zal op een dag ervaren, dat het gesprek stokt. Het gesprek met hem of haar met wie je alles bespreken kon, met wie je zovele jaren lief en leef hebt gedeeld. Hij ís er wel, maar híj is er niet meer, of zíj is er niet meer. Grote eenzaamheid kan de achterblijvende overvallen, want eenzaam kan je iemand wel noemen als de partner dementeert. Vaak wordt een echtgeno(o)t(e) ten onrechte getroost met: "Maar jullie zijn tenminste nog bij elkaar." Afscheid nemen, een beetje sterven; het zijn pogingen te omschrijven wat de mensen ervaren als een geliefd familielid het proces van dementie moet doormaken. Sommigen geven zelfs aan: erger dan sterven, dan het definitieve afscheid.

"Meestal gebeurt het afscheid nemen nadat een geestelijk hulpbehoevende oudere wordt opgenomen in De Bleerinck. Eerst komt er nog elke dag bezoek, vooral als de oudere nog 'hierachter'zit," vertelt groepsleider Herman, "maar na verloop van tijd vindt de familie geen herkenning meer." Volgens Herman hebben de mensen daar de meeste moeite mee, omdat ze nog steeds de oude relatie voor ogen hebben, die de demente bejaarde niet zo ervaart. "Een verzorger kijkt niet naar de oudere in relatie met dochter of zoon. Ik zie als ik meneer aan tafel kijk, een mens. In het vorige verpleeghuis waar ik werkte, was een man van in de zeventig, die nog aan een nieuwe relatie begon, terwijl zijn demente vrouw nog niet overleden was. Zoiets vind ik prima. Hij weet, dat hij getrouwd is, een vrouw heeft, maar zij ziet hem niet meer als haar echtgenoot."

(uit mijn eigen dagboek)
Oma zal over een paar dagen wel doodgaan. Ze heeft al vijf dagen geen eten of drinken gehad, omdat ze, de verplegers en de familie haar leven niet nodeloos willen verlengen, door haar aan een infuus te leggen in het ziekenhuis. Haar gezicht is rood, het lichaam verzet zich met koorts, en de ademhaling gaat langzaam achteruit. Gisteren: snel, regelmatig, rustig en vandaag regelmatig, rustig, maar veel moeizamer. Ze hebben haar bed vol met kussens gestopt, zodat ze lekker ligt. Toen ze de beroerte kreeg, scheen haar lichaam zich ineens helemaal te hebben uitgestrekt. Gek hè, oma, ik heb nog een moment gedacht, dat je door zo'n schok weer normaal zou worden.
Ik kan me nog herinneren hoe vergeetachtig oma was, toen ze nog thuiswoonde. Ze vertelde elke keer, als ik op bezoek kwam, hetzelfde verhaal. Toen zij als kleine meid de lagere school had doorlopen, was de hoofdmeester thuis langs gekomen. "Geertje is een slim kind, het is zonde als ze niet gaat studeren," had hij gezegd. Maar Geertje was de oudste dochter thuis en het was haar taak om het huishouden over te nemen. Haar moeder was immers zo vergeetachtig en in de war, dat ze niets meer kon doen. "Ik had een negen voor rekenen," vertelde oma altijd weer vol trots. Op het laatst wel drie keer tijdens een bezoek.

Mijn oma, ze was dement.

(geschreven in 1988, laatste jaar van mijn studie journalistiek)

vrijdag 9 mei 2014

Kalverliefde

Als kinderen zijn we enorm beïnvloedbaar door onze omgeving. Daar kwam ik achter toen ik van de lagere school naar de middelbare school ging. Tien kilometer fietsen verderop bleken de kinderen zich helemaal niet bezig te houden met verliefdheid. Ik begreep er niets van, want bij 'ons' was dat normaal. Een jaar later, in de tweede klas, toonden dezelfde kinderen ineens wel belangstelling voor het andere geslacht. Maar toen was ik niet meer zo extravert. Ik was veranderd in een verlegen puber. Ik deed alleen aan verliefdheid op afstand.

Als kleine meid was ik al regelmatig verliefd. Verkering noemden we in het dorp 'met elkaar gaan' en liefdesverdriet noemden we 'ldvd'. Op de lagere school 'ging' ik de ene keer met Jan, en de andere keer met Jan (we hadden twee Jannen in de klas). Mijn ouders noemden het kalverliefde, maar ik vond dat een belediging.

Dat ik ook verliefd ben geweest op Jellie, dan kon ik mij niet meer herinneren. Totdat ik het bewijs ontving van Jellie himself. Hij had de brief al die jaren bewaard.

Ik denk dat ik een jaar of 7, 8 was. Ik heb geprobeerd de brief te ontcijferen...